“Hoe onschuldig iets ook is, zodra het wettelijk wordt verboden, denken mensen dat het verkeerd is.”
W. Somerset Maugham

Het Vrije Woord en de Ideologie van de Multiculturele Samenleving - deel 3

Door Matthias Storme

23 oktober 2005

Matthias Storme gaat in het volgende deel van zijn artikel over de vrijheid van meningsuiting in de multiculurele samenleving in op de juridische en morele grenzen die er wel of juist niet zouden moeten zijn aan de vrijheid van meningsuiting. Kijk hier voor de vorige delen.

Juridische grenzen aan de meningsuiting ?

12. De in antiracisme- en antidiscriminatiewetten ingevoerde beperkingen aan de - aldus niet meer vrije - meningsuiting zijn m.i. dus ethisch zowel als democratisch onaanvaardbaar. Ik heb het hier dus wel over juridische beperkingen die het mogelijk maken meningsuitingen met geweld te onderdrukken.

De vrije meningsuiting wordt door die breidelwetten in ons huidig regime vooral ingeperkt in zoverre de uiting een "aanzetten" vormt tot iets, en niet meer alleen, zoals vroeger in zeer beperkende voorwaarden (laster), omwille van de inhoud van de mening. Maar behalve bij het gebruik van geweld of dwang ligt tussen het aanzetten tot iets en de aangezette daad ligt nog de vrije wil van de persoon die aangezet wordt. Dat is een essentieel verschil met handelingen die op zichzelf schade berokkenen, of iemand anders dwingen schade te berokkenen (in welk geval het niet meer om aanzetten maar om dwingen gaat, wat een heel ander register is, omdat daar de vrijheid van de gedwongene rechtstreeks in het geding is; hier is er dus minstens sprake van misbruik van een machtspositie die men heeft over de persoon die aangezet wordt).

Een samenleving die de mens als een wezen met vrije wil erkent, onmogelijk een uiting die zou aanzetten tot een onwettige gedraging zonder daartoe te dwingen, met die onwettige gedraging gelijkstellen - laat staan dat men nog van een democratische samenleving kan spreken wanneer het aanzetten tot onfatsoenlijke maar zelfs niet onwettige gedragingen kan worden gestraft (zoals vandaag in België).

13. Nog erger is het omdat de huidige wetgeving niet alleen het aanzetten tot geweld verbiedt - daar heb ik nog enig begrip voor, met name wanneer er een rechtstreekse bedreiging is voor de fysieke integriteit van personen. Maar ook het aanzetten tot haat wordt verboden, terwijl haat geen misdrijf is, maar een gevoel, dat overigens in bepaalde omstandigheden moreel volstrekt begrijpelijk kan zijn. Natuurlijk is haat in de meeste gevallen niet het meest fatsoenlijke gevoel. Het zal meestal een ondeugd zijn te haten en een deugd om geen haat te voelen. Maar het opleggen van die deugd en verbieden van die ondeugd is een veel grotere ondeugd dan het tolereren ervan. Iets hatelijk vinden en dat zeggen is overigens vanzelfsprekend een mening. "Haat is geen mening" [12] is dan ook één van de belachelijkste argumenten die ik ooit gehoord heb in het debat over de vrije meningsuiting, een typisch voorbeeld van Newspeak.

'Het recht om te haten en het recht om lief te hebben zijn fundamentele rechten van elke persoon.'
Het recht om te haten en het recht om lief te hebben zijn fundamentele rechten van elke persoon. Overigens is het vaak zo dat bij de verdedigers van het verbod op bepaalde meningen de haat jegens andersdenkenden ervan afdruipt. Van bepaalde rechterlijke uitspraken zoals het arrest van 21 april 2004 druipt de haat jegens andersdenkenden af. En als er één plaats is waar haat in een democratische samenleving juist niet kan worden toegestaan, dan is het precies in rechterlijke uitspraken. Voor het overige erken ik graag eenieders recht om ook bepaalde meningen te haten, maar willen ze dan misschien een beetje consequent zijn en het verbod op aanzetten tot haat uit de wet schrappen ?

14. Een al even schabouwelijke inperking van de meningsuiting betreft het verbod op het aanzetten tot discriminatie of het uiten van een voornemen tot discriminatie. Omdat ik specifiek dit aspect elders uitvoeriger heb besproken, ga ik er hier niet nader op in [13].

15. Een inperking van de vrijheid van meningsuiting is democratisch en ethisch enkel verantwoord wanneer de uiting een individuele persoon in zijn persoonlijke waardigheid treft. Maar het is nonsens om de belediging van een groep strafbaar te stellen. Er is een fundamenteel verschil tussen een algemene beledigende of valselijk beschuldigende uitspraak en een uitspraak die uitdrukkelijk een of meer bepaalde individuele personen beledigt of valselijk beschuldigt.

Het "recht op goede naam" dat een beperking van de uitingsvrijheid rechtvaardigt, is een individueel recht van personen en géén collectief recht, zeker niet wanneer blijkt dat dit collectief recht blijkbaar alleen voor bepaalde soorten groepen geldt. Het is strijdig met de gelijkheid van de burgers om die beperkingen van de uitingsvrijheid, die de rechten van individuen beschermen, uit te breiden om "groepen" te beschermen. Daarmee kent men aan die groepen - met name goed georganiseerde groepen die erin slagen zich te laten erkennen als een beledigde of gediscrimineerde groep - allerlei collectieve rechten toe die de groep van gewone burgers niet heeft. Het kan dus niet dat meningsuitingen verboden zijn omdat zij krenkend zouden zijn voor een groep en niet voor een bepaalde persoon.

16. De verantwoordingen voor die inperking van de meningsuiting rammelen dus aan alle kanten, ook het argument van de bescherming van de rechten van anderen. Als het om de bescherming van anderen gaat zou men overigens de uiting van onfatsoenlijke meningen in het openbaar moeten verplichten in plaats van te verbieden. Onfatsoenlijke meningen zijn namelijk juist des te gevaarlijker naarmate ze niet meer in het openbaar geuit worden. De mogelijkheid gevoelens van haat of discriminerende opinies te uiten bespaart een samenleving veel gevaarlijker uitingen van opgekropte frustratie.

Dat onfatsoenlijke meningen juist met meer in plaats van minder meningsuiting moeten worden bestreden, maakt dan wel dat het perfect verantwoord is de rechten van personen te beschermen door hen een recht op antwoord toe te kennen en media een verplichting tot rechtzetting op te leggen. Daarmee wordt de vrijheid van meningsuiting immers niet aangetast.

Morele grenzen

17. Overigens zijn meningsuitingen m.i. niet alleen als dusdanig nooit juridisch te verbieden, maar ook op het ethische niveau niet te snel immoreel te noemen. Zoals de reeds genoemde de Brits-Nederlandse rechtsanthropoloog John Griffiths [14] schrijft kan het misbruik - dat dus ook voor hem door de staat niet mag worden beperkt, maar wel door de burgers als onfatsoenlijk mag worden bestreden - niet bestaan uit de gedachte die ten grondslag ligt aan de uiting, maar enkel "in de onnodig kwetsende wijze waarop een gedachte wordt geuit. En het "onnodige" zit niet in de pijn die de gedachte zelf doet, maar in het ontbreken van enige communicatieve meerwaarde in de woorden of beelden die nodeloze pijn toevoegen: schuttingtaal, beladen termen zoals "nazi", heilige teksten op blote lijven, enzovoorts" - einde citaat. Ongeacht of men het met dit laatste voorbeeld eens is of niet, de kern van de zaak is moeilijk beter te verwoorden.

'In ieder geval hebben we de vrijheid van meningsuiting precies nodig om onfatsoenlijke, onethische opvattingen (zowel als gedragingen) te bestrijden - te bestrijden met woorden, niet met geweld.'
Ik vraag niet liever dan dat alle meningsuitingen binnen de grenzen van het fatsoenlijke zouden blijven. Maar hoe kan men tegelijk zeggen dat het volkomen onfatsoenlijk was van Theo Van Gogh om over geitenneukers te spreken - dat was het ook, ook al was het een toespeling op een advies van ayatollah Khomeini - en tegelijkertijd overheidscampagnes in de scholen te brengen die schuttingtaal promoten en allerlei verstrengelde blote lijven brengen zonder communicatieve meerwaarde. Hoe kan men tegelijk meningen verbieden omdat ze immoreel zouden zijn, maar tegelijk het choqueren van gelovigen tot officiële politiek maken, door een bewuste aanval op precies die zaken waaraan alle grote godsdiensten een bijzondere sacraliteit toekennen, zoals bv. het huwelijk ?

18. In ieder geval hebben we de vrijheid van meningsuiting precies nodig om onfatsoenlijke, onethische opvattingen (zowel als gedragingen) te bestrijden - te bestrijden met woorden, niet met geweld. Meer nog, in tegenstelling tot de overheid moet iedere burger precies de vrijheid hebben om anderen te discrimineren, onder meer omdat ze die ander onfatsoenlijk vinden. Die discriminatievrijheid is met andere woorden een noodzakelijke voorwaarde voor morele weerbaarheid.

Beperking van de meningsuiting door private personen en organisaties.

19. Consequent doorgedacht houdt het voorgaande ook in dat private organisaties personen mogen discrimineren wegens hun mening en op die wijze de vrije meningsuiting mogen inperken. Ik heb het recht in mijn huis iemand de deur te wijzen omdat wat hij zegt me niet aanstaat. Eenieder heeft de vrijheid te zeggen wat hij wil, maar elke private organisatie heeft de vrijheid hem om die reden niet in dienst te nemen, aan hem niet te leveren of bij hem niet aan te kopen, hem niet als lid te aanvaarden, e.d.m. Het kan uitermate onfatsoenlijk zijn om dat te doen, zoals ook het uiten ven bepaalde meningen onfatsoenlijk is. Maar het is ethisch volkomen gerechtvaardigd dat die vrijheid bestaat, omdat het inperken van die vrijheid moreel een groter kwaad is. Dit betekent niet dat we private personen en organisaties niet moreel ter verantwoording kunnen roepen, maar wel dat zij niet verplicht kunnen worden zich daarvoor in rechte te verantwoorden.

20. Diezelfde vrijheid geldt vanzelfsprekend niet voor de overheid, om de eenvoudige reden dat de overheid een monopoliepositie heeft, met name een geweldmonopolie. Keerzijde van dat monopolie zijn het legaliteitsbeginsel, dat het de overheid verbiedt anders te beslissen dan aan de hand van op voorhand bepaalde, voor iedereen gelijk geldende algemene regels en het verbod voor de overheid om te discrimineren (d.i. de eigen burgers ongelijk te behandelen zonder dit objectief en redelijk te rechtvaardigen). Dit zowel als de erkenning van vrijheidsruimten door de overheid heeft essentieel te maken met het feit dat de wet ook wordt opgelegd aan wie er niet mee instemt. Zonder die terughoudendheid is een democratie niets meer dan een dictatuur van de meerderheid.

Op de grens tussen beiden liggen private organisaties die weliswaar geen wettelijk, maar toch een feitelijk monopolie bezitten, alleen of met andere organisaties waarmee ze hun beleid afstemmen. Zolang een dergelijke situatie aanhoudt, is het verantwoord aan die organisaties vergelijkbare plichten op te leggen als aan de overheid.

Matthias Storme

Deel 2
Deel 4

Noten
[12] Titel van een artikel van D. VOORHOOF, in De Standaard 7 mei 2004. De argumenten van de auteur zijn autoriteitsargumenten: het verbod op aanzetten tot haat of discriminatie volgt uit internationale zogenaamde mensenrechtenverdragen en wie zich daartegenover op de vrijheid van meningsuiting beroept maakt bij de rechters in Straatsburg toch geen kans. Ook hier vinden we de afdreiging in de trant van "durf het niet om de dogma's van de mensenrechten" en de interpretatie ervan door politieke benoemde rechter sin vraag te stellen.
[13] "De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren", hoger aangehaald.
[14] J. GRIFFITHS, "Meer fatsoen en minder recht", NJB 2004

Gerelateerde links:
- De Molinari-lezing door Prof. dr. Matthias Storme (MP3, 32 kbps, 12,6 MB, 55 minuten)
- Matthias Storme: De Vrijheid om te Discrimineren
- Homepage (Thuisblad) van Matthias Storme

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl