“If you protect a man from folly, you will soon have a nation of fools. ”
William Penn

Vuile Dieve! Een pleidooi voor het afschaffen van kunstsubsidies, deel 2

Door Karel Beckman

26 september 2005

Een ander argument voor kunstsubsidies is dat kunst een soort 'hoger' algemeen belang zou vertegenwoordigen, dat niet te vangen is in kosten-baten-analyses, omdat het een activiteit is die verheven is boven de alledaagse werkzaamheden waar ordinaire burgers de kost mee verdienen.

Kunst is een greep naar de eeuwigheid, zo zou Hans van Mierlo ooit gezegd hebben volgens Marcel van Dam. Daar ben ik het van harte mee eens. Om die reden, voegde Van Dam hier aan toe, moet kunst worden gesteund door de overheid - maar dat zie ik nu net niet in. Waarom zouden mensen geen "greep naar de eeuwigheid" kunnen doen op hun eigen kosten? Sterker nog, een gesubsidieerde greep naar de eeuwigheid lijkt mij een contradictio in terminis. Of je grijpt naar de kas, of je grijpt naar de eeuwigheid - alletwee tegelijk is onmogelijk.

Een natie die haar geestesleven kunstmatig in stand moet houden, waar de kunst en cultuur niet spontaan bloeien maar door ambtenaren en politici in leven moeten worden gehoudt of tot leven moeten worden gewekt, verraadt een gebrek aan innerlijke culturele kracht.
Een vergelijkbaar argument afkomstig uit conservatieve kring, is dat kunst en cultuur de geest van de natie vormen en dat het een nationaal belang is om deze geest hoog te houden. Dat is al net zo'n zwaktebod. Een natie die haar geestesleven kunstmatig in stand moet houden, waar de kunst en cultuur niet spontaan bloeien maar door ambtenaren en politici in leven moeten worden gehoudt of tot leven moeten worden gewekt, verraadt een gebrek aan innerlijke culturele kracht. Waarom doet een land als Frankrijk krampachtige pogingen om het Frans te beschermen tegen invloeden van buitenaf? Omdat het huidige Frankrijk cultureel weinig meer voorstelt. De Franse taal en cultuur zullen pas weer in staat zijn om de wereld te veroveren, als de Franse staat ophoudt om zich met het culturele leven te bemoeien.

Een praktischer argument voor kunstsubsidies is dat kunstenaars "te weinig" zouden verdienen als er geen subsidieregelingen waren. Bibeb schreef ooit in Vrij Nederland dat uit onderzoek was gebleken dat "maar vier percent van de beeldende kunstenaars" kan leven van de verkoop van eigen werk. Daarmee zou dan zijn aangetoond dat de BKR, zoals de belangrijkste kunstsubsidieregeling in het verleden heette, "noodzakelijk" zou zijn. Maar waarom? Mij lijkt het heel reëel dat 4% van de mensen die graag kunstenaar wil worden, voldoende talent heeft om daar (full-time) van te kunnen leven.



... en de o.a. door de belastingbetaler 'vetgespekte artist', A. F. Th. van der Heijden
Soms wordt een mysterieus "falen" van "de vrije markt" aangevoerd om uit te leggen waarom kunstenaars niet van hun werk zouden kunnen leven en bijvoorbeeld schoenmakers wel. Vroeger - zo schreef ooit een lid van het centrale comité van die BKR, tevens beeldend kunstenaar - was de prijs van een kunstwerk nog betaalbaar, maar nu, "in een tijd van gemechaniseerde productieprocessen", is dat niet meer het geval. Een handgemaakt product is "economisch uit de tijd" en dat betekent dat een beeldend kunstenaar "per definitie markteconomisch volstrekt in een verouderde situatie leeft en zal moeten blijven leven." Is dat zo? Arbeid is relatief duur geworden, ja - we zijn rijker dan vroeger, gelukkig maar - maar het werk van een journalist, of accountant, of dokter, of loodgieter, of noem maar op, is ook niet "gemechaniseerd", en dit soort beroepen floreren volop. Het is, denk ik, juist andersom: dankzij de gemechaniseerde productie is de arbeidsproductiviteit gestegen en kunnen nu zelfs mensen met lagere inkomens kunstwerken kopen.

Vermakelijk is ook het veelgebruikte argument dat voor de literatuur als extra handicap zou gelden dat het Nederlandse taalgebied zo klein is. Een markt van twintig miljoen mensen, klein? Een accountant of loodgieter zou zo'n markt graag tot zijn beschikking hebben! De literatuur is in potentie juist een uiterst lucratieve bezigheid. Dankzij de boekdrukkunst (overigens ook een vorm van mechanisatie!) kun je er zelfs miljonair mee worden, iets wat in andere professionele beroepen een stuk moeilijker is. En dan heb ik het nog niet over de mogelijkheid om literatuur te vertalen.

Maar hoe zit het dan met al die miskende genieën, al die Rembrandts en Van Goghs die in de hardvochtige kapitalistische maatschappij van de honger omkwamen? Hebben we geen subsidies nodig om te voorkomen dat hedendaagse Van Goghs en Rembrandts een armoedig bestaan moeten lijden? Dit is een argument dat veel mensen emotioneel aanspreekt, maar het snijdt geen hout. Ten eerste is er, zoals gezegd, geen enkele reden waarom een overheidscommissie wel het talent van een Van Gogh zou herkennen en particuliere kunstkopers niet. Ten tweede gaat de vergelijking met vroeger tijden in allerlei opzichten mank. In de tijd van zowel Van Gogh als van Rembrandt was bijna iedereen arm - heel erg arm naar de huidige maatstaven. Er kwamen ook heel veel schoenlappers van de honger om. Dat soort armoede bestaat in onze maatschappij niet meer. Iedere kunstenaar die niet van zijn werk kan leven kan tegenwoordig met een part-time baantje een redelijk bestaan hebben.

En dan, als laatste, is er natuurlijk altijd nog het ogenschijnlijk onweerlegbare argument dat iedere criticus van subsidies bij voorbaat doet beven en de mond snoert – het hartverscheurende idee dat kunst zonder subsidies onbetaalbaar zou worden voor mensen met lage inkomens. Met dit verhaaltje worden vooral subsidies aan musea, theater en orkesten gerechtvaardigd: de entreekaartjes zouden anders te duur worden voor Jan met de pet!

Van alle argumenten voor kunstsubsidies is dit het meest hypocriete. Om te beginnen is het zeer de vraag of musea, concerten, en dergelijke gemiddeld genomen duurder zouden worden als de subsidies zouden worden afgeschaft. De aanbieders van deze diensten zouden in dat geval worden gedwongen te concurreren met andere ongesubsidieerde aanbieders van cultuur en evenementen, en zouden daardoor wellicht veel efficiënter gaan werken. Ze zouden om te beginnen al een heleboel tijd en geld besparen als ze zich niet meer hoefden bezig te houden met het binnenhalen van overheidsgelden.

Maar belangrijker - en dat wordt er nooit bij verteld is dat mensen met lage inkomens ook moeten méébetalen aan alle kunstsubsidies; zij zouden dus een hoger besteedbaar inkomen hebben als dat niet zo zou zijn. Is die mensen weleens gevraagd wat ze liever zouden hebben: meer geld in hun eigen zak en duurdere toegangskaartjes voor het museum of minder geld en goedkopere kaartjes?

[K]unstsubsidies zijn een omgekeerde herverdeling van inkomsten, één die loopt van lagere naar hogere inkomens.
De waarheid is precies omgekeerd: kunstsubsidies zijn een omgekeerde herverdeling van inkomsten, één die loopt van lagere naar hogere inkomens. Datzelfde geldt voor de subsidiëring van de publieke omroepen. Lagere-inkomensgroepen kijken relatief meer naar de commerciële omroepen dan de hogere-inkomensgroepen en zijn minder geïnteresseerd in kunst dan mensen met hoge inkomens. Het zijn de mensen met lage inkomens die in dit systeem worden genaaid. Zij moeten dokken voor een dure hobby van een kleine, welvarende elite.

En dit is uiteindelijk het beste argument tegen kunstsubsidies - tegen subsidiëring van iedere economische activiteit. Subsidies zijn onrechtvaardig. Mensen worden gedwongen om te betalen voor activiteiten waar ze geen behoefte hebben en misschien zelfs wel bezwaar tegen hebben. Dat iemand vindt dat het een legitieme taak is van de overheid om zieken, gehandicapten, geweldsslachtoffers en andere pechvogels in onze maatschappij te helpen – daar is in te komen. Maar om gezonde, zelfstandige mensen te subsidiëren die geheel vrijwillig voor een bepaald vak kiezen, of dat nu kunstenaar is of automonteur, is een heel ander verhaal. Dat is diefstal van belastinggeld dat door mensen bijeen is gebracht die wel hun eigen broek ophouden.

Vuile Dieve? Inderdaad ja. Maar niet de multinationals.



Dit is het tweede deel van Karel Beckmans pleidooi voor het afschaffen van kunstsubsidies. Kijk <a href="?pagina=1294">hier</a> voor het eerste deel.

Over de auteur

Karel Beckman is auteur van het nieuwe boek De Staat Voorbij, dat in maart 2017 is verschenen bij uitgeverij Aspekt. Het is te bestellen bij onder meer bol.com.

In dit boek schetst hij een libertarische toekomstvisie die een alternatief biedt voor zowel “linkse” als “rechtse” politieke oplossingen. Het is de opvolger van De Democratie Voorbij, uit 2011, dat hij samen schreef met Frank Karsten, en dat inmiddels in 20 talen is vertaald.

In 1992 publiceerde uitgeverij Balans zijn boek "Het broeikaseffect bestaat niet. De mythe van de ondergang van het milieu."

Hij is momenteel hoofdredacteur van Energy Post.

Beckman is voorheen zes jaar journalist geweest bij het Financieele Dagblad, waar hij over energie, milieu, buitenlandse politiek en het Midden-Oosten schreef.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl