De koopkrachtmythe

Door Thomas Sowell

5 augustus 2005

Sommige van de oudste mythen over economie — reeds meer dan twee eeuwen geleden weerlegd door economen — betreffen de vrees dat er niet genoeg koopkracht zal zijn om de omvangrijke, en telkens maar groeiende, productie van goederen en diensten te kunnen kopen.

Als het bovendien niet mogelijk is om alles te (ver)kopen dat geproduceerd wordt, dan zal het evenzo onmogelijk zijn om alle arbeiders aan het werk te houden.

Politici verkondigen dat sociale werkverschaffing of zelfs het bouwen van militaire bases bijdragen aan de koopkracht van een land, terwijl deze feitelijk slechts koopkracht van belastingbetalers naar elders verplaatsen zonder een netto toename voor de economie als geheel. Soms wordt zelfs beweerd dat het economische effect van een overheidsuitgave zich “vermenigvuldigt” doordat het telkens weer heruitgegeven wordt naarmate het circuleert in de gemeenschap.

Maar als het geld niet bij belastingbetalers weggenomen was, dan zou het ergens anders uitgegeven en heruitgegeven zijn. Evenzo zou, als bedrijven het geld voor investeringen gebruikt zouden hebben, het geld heruitgegeven worden door diegenen van wie de investeerders machines, bureaus, en dergelijke gekocht zouden hebben.

Vaak werd gedacht dat mensen die sparen de economie van koopkracht beroven en daardoor de werkgelegenheid in gevaar brachten. Maar gespaard geld verdwijnt niet in het niets. Het wordt uitgeleend door banken en andere financiële instellingen en dan uitgegeven door andere mensen met andere doelen, maar het blijft daarbij evenzeer een deel van de koopkracht als wanneer het niet gespaard zou zijn.

'Vaak werd gedacht dat mensen die sparen de economie van koopkracht beroven en daardoor de werkgelegenheid in gevaar brachten. Maar gespaard geld [wordt uitgeleend en dan uitgegeven]. '
Sommigen hebben beweerd dat arbeiders niet genoeg loon krijgen “om hun productie terug te kopen” terwijl de rijkere klassen niet al hun inkomen uitgeven, waardoor er een gat zou ontstaan tussen de waarde van de output en de koopkracht om deze output te kopen. Maar, zoals gezegd, gespaard geld is net zozeer koopkracht als geld dat aan consumptiegoederen wordt besteed.

Dit alles is uitgepluisd in de vroege 19e eeuw in controversies over wat later bekend werd als de Wet van Say, die stelt dat aanbod zijn eigen vraag creëert. Toch is het idee dat de koopkracht tekort kan schieten in het kapitalisme nooit helemaal verdwenen, ondanks theoretisch en empirisch weerlegd te zijn door economen van eeuwen geleden.

In zijn simpelste vorm deed de koopkrachtmythe veel mensen in de 18e en 19e eeuw zich afvragen hoe de economie de enorme toename van output van de industriële revolutie kon verwerken. Wat zou er gebeuren als in alle behoeften van mensen voorzien zou zijn—een situatie die volgens sommigen aanstaande was--terwijl de machines en arbeiders alsmaar meer zouden produceren?

Maar naarmate de geschiedenis zichzelf ontvouwde, bleek dit een van de vele non-problemen te zijn waarmee fantasierijke leden van de intelligentsia door de eeuwen heen zichzelf gekweld en anderen gealarmeerd hebben. (Afnemende IQ’s, uitputting van grondstoffen, en het broeikaseffect zijn anderen.) De verzadiging van menselijke behoeftes, die sommigen in het begin van de 19e eeuw vreesden, lijkt vandaag de dag nog ver weg, ondanks dat we een overvloed hebben aan dingen als koelkasten, computers en TV’s, waarvan men destijds niet eens kon dromen.

Er speelt echter meer dan het simpele feit dat het gevreesde gevaar nooit verwezenlijkt is. Ingenieuze doemdenkers kunnen altijd zeggen dat de ramp die zij voorspelden slechts “uitgesteld is” door voorspoedige omstandigheden die niet altijd voort kunnen duren. Het empirische argument tegen de koopkrachtmythe is dus niet genoeg. Begrepen moet worden waarom een dergelijke theorie logisch ongeldig is.

Een groep Franse economen, bekend als de physiocraten, lieten in de 18e eeuw zien dat de productie van goederen en diensten automatisch de koopkracht genereert om die goederen en diensten aan te schaffen. Wanneer de economie een additionele hoeveelheid output produceert, produceert zij ook een additionele hoeveelheid welvaart die gebruikt kan worden om deze of andere output te kopen. Productie wordt uiteindelijk gekocht met andere productie, waarbij geld gebruikt wordt als tussenstap om deze transacties te vergemakkelijken.
 
'Het is de aanname dat de overproductie van bepaalde sectoren ook gevonden kan worden in de economie als geheel, die de drogreden is.'
Op elk gegeven moment kan het zijn dat er te veel broekriemen of radio’s zijn om te verkopen tegen prijzen die hun productiekosten dekken. De producenten ervan zullen dan verlies maken en daardoor gedwongen worden om hun productie te verminderen en bijgevolg minder arbeiders in te huren. Maar het is een drogreden om direct aan te nemen dat wat geldt voor een deel van de economie ook voor de gehele economie geldt. Zolang middelen schaars zijn en alternatieve aanwendingen hebben, betekent het feit dat ze verspild worden in een bepaalde sector slechts dat er andere sectoren zijn waar dezelfde middelen beter aangewend kunnen worden.

Bedrijfsverliezen en werkloosheid in de sectoren waar output gemaakt wordt die minder waard is dan de productiekosten, is precies wat er voor zorgt dat deze middelen overgebracht worden naar andere sectoren. Het is de aanname dat de overproductie van bepaalde sectoren ook gevonden kan worden in de economie als geheel, die de drogreden is.

Een van de zaken die geloofwaardigheid gaf aan overproductietheorieën of aan het vermeende tekort aan koopkracht is het herhaaldelijk optreden van periodes van economisch neergang, bekend als recessies of depressies. Gedurende de Grote Depressie van de jaren ’30 bijvoorbeeld was er een enorme toename van werkloosheid en waren er bedrijfsverliezen voor de economie als geheel. De sterk afgenomen geldhoeveelheid van 1932 was niet in staat om de output te kopen die geproduceerd was gedurende de hoogconjunctuur die in 1929 eindigde. Of preciezer gezegd: de geldhoeveelheid van 1932 was niet in staat om het outputniveau van 1929 te kopen tegen de prijzen van 1929. Prijzen begonnen te dalen als gevolg van onverkochte goederen, maar ze vielen niet snel genoeg om meteen het productieniveau te herstellen dat nodig was om volledige werkgelegenheid te creëren.

 
Het ernstige dysfunctioneren van het monetaire systeem—dat zowel bankruns als contraproductief beleid van de centrale bank betrof—alsmede tarieven die de internationale handel verstoorden en amateuristisch geknoei met de economie door zowel de Hoover als de Roosevelt regering, maakten van een probleem een catastrofe. Uit deze situatie ontsprong het Keynesianisme als herinvoering van theorieën van tekortschietende koopkracht, zij het in een vernuftigere vorm.

John Maynard Keynes stelde dat overheidsuitgaven meer geld in circulatie zouden brengen en de economie eerder terug naar volledige werkgelegenheid zouden helpen dan wanneer gewacht werd totdat prijzen voldoende gedaald zouden zijn om overeen te stemmen met de afgenomen geldcirculatie. Maar Keynes beweerde niet dat de economie simpelweg te veel geproduceerd had. Noch is er reden om te geloven dat hij verbaasd zou zijn geweest dat het tig keer hogere nationale productieniveau van latere jaren zonder problemen verkocht kon worden.

Wat dan ook de voors en tegens mogen zijn van de Keynesiaanse theorie—die ooit dominant was maar tegen het einde van de 20e eeuw duidelijk op retour was—de discussies over koopkracht in de politiek en de media zijn veel minder doordacht dan wat Keynes zelf ooit zei. President Hoover en later President Roosevelt probeerden bijvoorbeeld beiden te voorkomen dat de lonen daalden om zo de koopkracht te handhaven alsmede om humanitaire redenen.

Maar het was onmogelijk om dezelfde hoeveelheid arbeiders werk te geven tegen dezelfde lonen als daarvoor, nu de geldhoeveelheid een derde kleiner was. Vergelijkbaar overheidsbeleid om bepaalde prijzen hoog te houden, ging eraan voorbij dat de prijzen in de economie als geheel omlaag moesten als alles gekocht moest worden met een kleinere geldhoeveelheid.

Het lijkt beangstigend, maar geen van beide presidenten begreep dit beetje elementaire economie. Bovendien léék het niet alleen beangstigend maar wás het dat ook, omdat het bestaan van miljoenen Amerikanen op het spel stond en velen van hen dramatisch hebben geleden. Alhoewel sommigen hebben geprobeerd FDR af te schilderen als de man die ons uit de Grote Depressie heeft gehaald, waren alle eerdere depressies veel eerder voorbij zonder omvangrijke overheidsinmenging.

Dit was feitelijk de eerste depressie waarin de federale overheid zoveel ingreep—eerst onder Hoover en toen zelfs nog meer onder Roosevelt. Sommige economen, waaronder Nobelprijswinnaar Milton Friedman, hebben aangegeven dat het juist het overheidsbeleid was dat tegenging dat de economie zich zo snel herstelde als voorheen, toen de economie nog met rust gelaten werd.

Thomas Sowell

Gerelateerde links:
- Peter van Maanen: Recessies zijn onnodig
- Nathaniel Branden: Kapitalisme en economische depressies

Over de auteur

Thomas Sowell is de Rose and Milton Friedman Senior Fellow aan de Hoover Institution van Stanford University.

Hij schreef meerdere boeken over economie, geschiedenis, ideologische visies, en etnische vraagstukken.

Sowell schreef ook de klassieker The Vision of the Anointed: Self-Congratulation as a Basis for Social Policy waarin hij in meer detail ingaat op bovenstaande ideeen.

Homepage Thomas Sowell.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl