Interne tariefmuren kwellen handel Afrika

Door Sibolt van Ketel en Edwin Timmer

10 juli 2005

Invoertarieven van 30 tot 60%, met uitschieters tot ruim anderhalf keer de waarde van de importgroente of -fruit. Wie bezondigt zich hieraan? Als je de kritiek van demonstranten op de rijke industrielanden gelooft, dan moeten dit wel Europa en de Verenigde Staten zijn. Goederen uit donker Afrika staan blijkbaar voor een dichtgespijkerde deur. De werkelijkheid is anders. Het zijn de eigen invoertarieven in Afrika, en ze behoren tot de hoogste ter wereld. Zakenmensen uit Zuid-Afrika hebben de grootste moeite zich een weg te banen langs deze belemmeringen.

Een Zuid-Afrikaanse vervaardiger van olieproducten wil graag in een West-Afrikaans land voet aan de grond krijgen. Hij maakt een afspraak met de minister van Handel, die hem (na veel steekpenningen) meeneemt naar de man met het laatste woord: de president. Tijdens de ’audiëntie’ zegt deze toe dat de producten welkom zijn. Opgelucht loopt de Zuid-Afrikaan naar buiten, waar hij bij het afscheid van zijn gastheer, de minister van Handel, achteloos te horen krijgt: „Hij verwacht een laptop of een retourtje eerste klas Parijs.” Beloninkje voor de president.

Gewettigde beloning
„Die landen hebben een andere filosofie, ook in het zakendoen”, zegt Nati Khema. Hij is een zwarte Zuid-Afrikaan die voor de Standard Bank uit Johannesburg de laatste jaren vestigingen heeft geopend in 16 Afrikaanse landen. Khema kent en waardeert de gebruiken van ’zwart Afrika’. „De meeste regeringen zijn eraan gewend om op een bepaalde manier handel te drijven. Wij noemen dat gauw corruptie, maar zij zien dit als een gewettigde beloning.”

„Aan plannen geen gebrek, maar als de uitvoering moeilijk wordt omdat lagere tarieven bepaalde bedrijven pijn doen, dan doen regeringen vaak een stapje terug.”
De oproep van zanger Bob Geldof aan G8-leiders de ontwikkelingshulp te verdubbelen, klonk deze week luid en duidelijk. En de eis om het Westen ’eindelijk’ te openen voor Afrikaanse producten ging er bij de bezoekers van de concertreeks Live8 in als zoete koek. Maar Gerrit Faber, universitair hoofddocent aan de Utrecht School of Economics, ziet het een tikkeltje anders. „Het is mooi als er meer hulp wordt gegeven. Maar dat het de oplossing zou betekenen voor armoede, is een grove simplificatie.”

Ondoorzichtig
Afrika telt inmiddels talrijke economische zones, vaak overlappend, van landen die met elkaar een vrijhandelszone willen vormen. „Aan plannen geen gebrek, maar als de uitvoering moeilijk wordt omdat lagere tarieven bepaalde bedrijven pijn doen, dan doen regeringen vaak een stapje terug.” De specialist internationale economische betrekkingen erkent dat het verdwijnen van banen in de zwakke economieën een probleem is. „Een vrijhandelszone tussen uitermate arme landen is een moeilijke zaak. Maar als regeringen de tarieven niet verlagen en gelijktrekken, blijft het ondoorzichtig of je aan de grens niet te veel betaalt.”

Een invoervergunning aanvragen is een ander treurig rollenspel, vertelt Diana Games, economisch consulent in Johannesburg. In sommige landen, met als trieste uitschieter Nigeria, moet je de hele hiërarchie van ambtenaren die zich met je handel bemoeien van geld voorzien voor je iets gedaan krijgt. „Het komt vaak voor dat er dan nog niets gebeurt of dat je merkt dat je product, door al die steekpenningen, zich uit de lokale markt heeft geprijsd.”

Shoprite/Checkers, één van Zuid-Afrika’s supermarktconcerns, heeft bij haar expansie naar 14 Afrikaanse landen haar eigen wegen maar aangelegd. Om de 600 winkels te starten en bevoorraden, moest het concern zelf panden en wegen bouwen.
De $50 miljard extra die de G8 de komende vijf jaar uittrekt voor ontwikkelingshulp, moet volgens Faber naar de infrastructuur. „Voor landen die niet aan zee liggen, is de huidige staat van de infrastructuur een ramp. Als Mali een container kleding naar de kust stuurt, verhoogt de moeizame tocht de kostprijs al met 10%. Omdat je het niet kunt afwentelen op de wereldmarkt, wordt dat betaald van de toch al schamele beloningen voor de eigen werknemers.”

Wegen aanleggen
Shoprite/Checkers, één van Zuid-Afrika’s supermarktconcerns, heeft bij haar expansie naar 14 Afrikaanse landen haar eigen wegen maar aangelegd. Om de 600 winkels te starten en bevoorraden, moest het concern zelf panden en wegen bouwen. Ook de mobieletelefoonbedrijven MTN en Vodacom restaureerden in Middenen West-Afrika verwaarloosde wegen en legden nog eens honderden kilometers nieuw asfalt aan, compleet met tunnels en bruggen. Alleen zo konden ze hun mobiele netwerk uitbreiden. MTN en Vodacom klagen bepaald niet: ze halen thans bijna de helft van hun omzet uit Afrika.

Het zijn dergelijke interne problemen, en niet de handelsmuren in Europa of de VS, die de Afrikaanse export in de kiem smoren. Natuurlijk zitten Amerikaanse katoensubsidies en Europese kip- en melkexporten een deel van de Afrikaanse boeren in de weg. In de Wereldhandelsorganisatie is ook afgesproken dat die oneerlijke praktijken worden aangepakt. „Maar voor veruit de meeste producten bestaat er vrije markttoegang naar Europa voor deze landen”, benadrukt Faber. Europese donoren van ontwikkelingshulp zijn in Zuid- Afrika zelf een bron van vertraging. Zij willen meestal eerst hun goedkeuring geven aan de import van producten, omdat zij deze financieren, verklaart bankier Khema. „De beste en snelste manier om jezelf toegang tot een land in Afrika te verschaffen, is een lokale partner in de arm te nemen en respect te tonen voor hun manier van zakendoen. In Afrika gebeurt nooit iets op tijd, dus moet je geduld hebben.”

Sibolt van Ketel en Edwin Timmer

Dit artikel verscheen op 8 juli 2005 in de Financiële Telegraaf.

Gerelateerde links:
- Johan Norberg: De nobele daden van Nike
- Hernando de Soto en zijn oplossing voor de wereldarmoede

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl