De emotiepolitiek van idealisten

Door Marcel Roele

11 april 2005

Idealisten trekken zich van feiten niets aan.

Voor de gevolgen van hun politiek zijn ze blind. Idealisme is dan ook niet bedoeld om verstandige politiek te voeren, maar om jezelf populair te maken in de groep. In de oertijd is ons idealisme ontstaan om een partner te verleiden.

Eind jaren zestig van de vorige eeuw gingen geëngageerde jongeren, opinieleiders, politici en journalisten zich opeens voor Vietnam interesseren. Nou ja, interesseren. Ze wilden zich niet verdiepen in de werkelijkheid; ze hadden behoefte aan een romantische mythe. Er waren eens rechtse Amerikaanse imperialisten die Zuid-Vietnam bezet hielden. De bevolking steunde het verzet, dat bovendien hulp kreeg uit het reeds bevrijde noorden – een socialistische heilstaat. In werkelijkheid waren de Vietnamese communisten een tot de tanden bewapende, strak georganiseerde legermacht – een typisch product van het communistische militair-industriële complex. Hun régime was van meet af aan net zo totalitair en bloeddorstig als dat van hun Russische bondgenoten. Ze brachten 1,8 miljoen politieke gevangenen om het leven. Het régime werd met miljoenen gesponsord door Jan Pronk en toegejuicht door alle linkse partijen in Nederland. Geen van deze idealisten interesseerde zich een bal voor het lot van de Vietnamezen. De functie van idealisme is niet dat anderen er beter van worden maar dat je er zelf beter van wordt. Dat is logisch: idealisme is diep geworteld in de menselijke natuur. Het kan alleen onderdeel van onze natuur zijn geworden als idealisme vanaf de oertijd de overlevingskansen van de idealist diende.

Idealisme is sociaal gedrag: men speelt een gezamenlijk ritueel waarmee onderlinge relaties worden gesmeed of bevestigd. Dat ritueel moet zich blijven herhalen en men is telkens op zoek naar een gebeurtenis die mythische proporties kan krijgen. Daarvoor dienden in de jaren zeventig en tachtig bijvoorbeeld de oorlogen in Rhodesië (nu Zimbabwe), Mozambique en Nicaragua. Het deed er niet toe dat de ‘bevrijders’ corrupt en dictatoriaal waren. Hun misdaden werden toch wel vergoelijkt of verzwegen. Tegenwoordig hebben we globalisering en de Palestijnen als bron voor de mythische rituelen van linkse idealisten.

Het idealistisch ritueel is echter niet exclusief voorbehouden aan mensen die heel links en politiek geëngageerd zijn. Iedere goedwillende burger kan meedoen. Waar heb je anders een tsunami voor? Of een genocide in Darfur? Pardon, humanitaire ramp. Genocide is natuurlijk niet gezellig genoeg. Voor het creëren van een waar mondiaal saamhorigheidsgevoel moet de mythe geschikt zijn voor de hele familie. Een klassiek voorbeeld was Live Aid in 1984. Bob Geldof was de initiatiefnemer van een grote inzamelingsactie voor de miljoenen hongerenden in Ethiopië, die, zo werd het publiek wijs gemaakt, het slachtoffer waren van aanhoudende droogte, de onrechtvaardige internationale economische verhoudingen en de onverschilligheid van westerse regeringen. Vooraanstaande Europese popsterren maakten gebroederlijk en gezusterlijk een larmoyant kerstsingeltje voor het goede doel, hun Amerikaanse collega’s zongen ‘We are the world’ en iedereen keek naar twee direct opeenvolgende benefietconcerten in Engeland en de Verenigde Staten. De popmiljonairs kregen een goed gevoel over zichzelf. De kijkers waanden zich onderdeel van iets groots, goeds en menslievends en doneerden massaal. De mythe was te mooi om die door dorre feiten te laten verstoren. In werkelijkheid was de hongersnood gecreëerd door het marxistische régime van Ethiopië, dat alle zelfstandige boerenbedrijfjes kapot wilde maken zodat de bevolking, door honger gedreven, naar verzamelkampen trok. Uiteindelijk zouden uit de verzamelkampen stalinistische staatsboerderijen moeten ontstaan waar de overheid volledige macht over de bevolking had. Geldof en trawanten zorgden ervoor dat er in de verzamelkampen tenminste iets te eten viel, maar maakten zich ondertussen wel schuldig aan collaboratie met een misdadig régime. Het is echter een harde, cynische vorm van realisme om dat te zeggen.

De idealistische reactie zet de hersendelen die zich met feiten en logica bezighouden in de slaapstand zo gauw het onderwerp van gesprek met politiek te maken heeft. Politiek wordt door het brein behandeld alsof zij bij de afdeling fictie hoort.
Realisme is het tegenovergestelde van idealisme. Met idealisme scoort men op korte termijn; met realisme op lange termijn. Immers, de realisten krijgen uiteindelijk altijd gelijk, maar zij lopen het risico levenslang impopulair te blijven - ze zijn immers niet ‘solidair’ en niet ‘sociaal’. Het verschil tussen realisten en idealisten is voor een belangrijk deel genetisch, zo blijkt uit tweelingenonderzoek. De realisten zijn genetisch gedoemd altijd een minderheid te blijven, net als bijvoorbeeld roodharigen. De meerderheid van de bevolking is meestal geneigd om op idealistische wijze te reageren op maatschappelijke vraagstukken. De idealistische reactie zet de hersendelen die zich met feiten en logica bezighouden in de slaapstand zo gauw het onderwerp van gesprek met politiek te maken heeft. Politiek wordt door het brein behandeld alsof zij bij de afdeling fictie hoort. Heel vroeger was dat volkomen terecht. De mogelijkheid om politieke uitspraken die in het Stenen Tijdperk bij het kampvuur werden gedaan (“Als wij ons samenvoegen met de naburige groep gaan jullie er ieder jaarlijks 0,8 rendier in inkomen op vooruit”) waren niet objectief te toetsen. Dus ging het altijd om het bespelen van emoties (“Samenleven is zo verrijkend!”). Dat werd met veel omhaal van woorden gezegd. De meeste evolutionaire biologen menen dat ons enorme vermogen tot het produceren van heel veel taal niet in de eerste plaats is ontstaan voor feitelijke informatieoverdracht, maar voor sociaal gevlooi, het verleiden van begeerlijke partners en het imponeren van rivalen. Dat geldt bij uitstek voor politieke praatjes: men toont zijn strijdbaarheid, sociale bewogenheid en warme medemenselijkheid. Dus eigenlijk gaat het er niet om een politiek idee naar voren te brengen dat vrede, vrijheid of welvaart brengt – zeker niet als realisering van dat idee vergt dat men cynisch naar zichzelf en de samenleving kijkt. Het is belangrijk een verhaal te vertellen waarmee men de groep bindt, een lekkere partner krijgt en beroemd en gerespecteerd wordt. Politiek moet sexy zijn.

De Amerikaanse psycholoog Geoffrey Miller noemt in zijn artikel Political peacocks (Politieke pauwen – gepubliceerd in Demos Quarterly in 1996) het onderwerp of beleidsterrein dat idealisten kiezen een virtuele lek. Een lek is het toernooiveldje waar vogelsoorten zoals pauwen en korhoenders baltsen. De mannetjes tonen er hun verenpracht en maken een dansje en lokkende geluidjes, terwijl de vrouwtjes keurend rondlopen. Alle vogels in de wijde omtrek gaan in een bepaald paarseizoen jaar allemaal naar dezelfde lek toe, zoals ook idealisten zich in een bepaald jaar massaal op één beleidsterrein storten. Miller: “Dit verklaart waarom alle studenten op een Amerikaanse universiteit zich plotseling kunnen gedragen alsof ze intens betrokken zijn bij het politieke lot van een land dat ze een jaar eerder nog praktisch negeerden. De lek is van plaats veranderd, onvoorspelbaar, van het ene politieke issue naar het andere. Zo gauw een kritisch aantal studenten is bereikt dat heeft besloten dat je mening over apartheid de lakmoesproef is om te bepalen of je het hart op de juiste plaats hebt, is het voor alle overige studenten onmogelijk geworden nog langer apathisch te zijn over apartheid.” De universiteit waarop Miller doelt is de Columbia University in New York, waar in de lente van 1986 honderden studenten twee weken de bestuursgebouwen bezetten uit protest tegen banden van de universiteit met Zuid-Afrika. Miller (toen student aan deze universiteit) schrijft: “Hoewel de protesten weinig bereikten, waren ze zeer effectief in het samenbrengen van jonge mannen en vrouwen die claimden dezelfde politieke ideologieën te delen. Iedereen die ik kende had destijds verkering met iemand die ze bij de sit-in hadden ontmoet. In veel gevallen was hun ideologische commitment flinterdun en de protestacties eindigden precies op tijd om voor de komende tentamens te gaan studeren. Maar de seksuele relaties die ‘gefaciliteerd’ waren door het protest duurden soms jaren.”

Miller ziet het vertoon van idealisme als seksueel pronkgedrag. Bij mensen pronken vrouwen meer met hun lichaam en mannen meer met wat ze allemaal kunnen: boeken schrijven, componeren, schilderijen maken, uitblinken in sport enzovoort. Voor al die vormen van pronkgedrag geldt dat jonge (dus seksueel actieve) mensen zich er vaker mee bezig houden dan oudere mensen en mannen meer dan vrouwen. Dat geldt ook voor idealisme: oudere mensen zijn minder idealistisch dan jonge en mannen zijn vaker politiek actief dan vrouwen. Maar zoals oudjes soms ook nog aan seks doen – zij het op wat minder ruige manier dan jongeren – voelen ook papa’s en mama’s nog af en toe de behoefte om lekker idealistisch te zijn. Zij manifesteren zich dan echter wel wat minder hartstochtelijk en fanatiek dan de jongeren bij wie de hormonen nog uit de oren spuiten.

Een goed voorbeeld van vanille-idealisme was de buitengewoon gemoedelijke en gezellige demonstratie tegen de plaatsing van kruisraketten in 1983. Een half miljoen mensen – jong en oud – schaarden zich achter leuzen zoals ‘Liever een Rus in de keuken dan een kruisraket in de tuin.’ Deze mening werd niet gedeeld door de bewoners van door de Russen bezette landen. Neem bijvoorbeeld Litouwen, een landje met drie miljoen inwoners. De Russen pakten zo’n 360 duizend Litouwers op. Ruim 27 duizend van hen werden geëxecuteerd of stierven in de gevangenis. Van de overigen werden zo’n 280 duizend naar de Siberische kampen gedeporteerd, waar ruim 28 duizend stierven. De bezetter voerde een wreed en totalitair bewind en bracht in grote getale Russische kolonisten naar het land die de beste baantjes kregen. De Litouwers zouden uiteindelijk indirect bevrijd worden door de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan, die de Sovjet-Unie het evil empire had genoemd en duidelijk maakte dat hij vastbesloten was de Koude Oorlog te winnen.

De meesten van de half miljoen demonstranten in Den Haag zouden Litouwen niet eens op de kaart hebben kunnen vinden en Reagan was in het mythische spel dat werd opgevoerd niet in de rol van held maar in die van schurk gecast. Voor een historicus of een politicoloog is het misschien volstrekt onbegrijpelijk dat mensen zich heel druk schijnen te maken over een zaak waarvan ze niets afweten. Maar idealisten zijn simpelweg niet geïnteresseerd in feitelijke, min of meer wetenschappelijk verantwoorde informatie. Uit alle informatie die destijds in onze samenleving circuleerde, koos de idealistische massa de meest simplistische mythe. Die begon met een dubieuze redenering: de aanschaf van wapens vergroot de kans op oorlog. Daar klopt natuurlijk niet veel van. Als we in 1940 kruisraketten hadden gehad, was Hitler nooit ons land binnen gevallen. Maar wie zonder na te denken accepteert dat bewapening oorlog brengt, komt tot een prachtig gevoel dat hij met de rest van de massa kan delen: ‘Wij zijn tegen bewapening en dus voor vrede en dus zijn wij goede mensen. Als je niet met ons meedoet, ben je voor oorlog en dan ben je dus een slecht mens.’


Slachtoffer van marxistisch régime
Miller overschat misschien de seksuele rol van idealisme – de rol van sociaal bindmiddel kan net zo belangrijk zijn. Mensen willen laten zien dat ze een betrouwbaar, betrokken lid van de kudde zijn. Op jonge leeftijd speelt de behoefte aan sexy idealisme relatief vaak de hoofdrol, die zich vertaalt in de deelname aan ludieke of radicale protestacties tegen een gevestigd belang die met een relatief kleine groep leeftijdgenoten worden gevoerd. Neem bijvoorbeeld de anti-globalisten. Bij hun acties is veel gelegenheid voor pronkgedrag – variërend van fysiek (de bereidheid met de politie te vechten), via artistiek (gekke uitdossingen) tot intellectueel (het schrijven van pamfletten). Op oudere leeftijd wordt het vertoon van conformistisch idealisme relatief belangrijker - men wil tonen dat men een brave burger is: saamhorig, solidair en sociaal. Zo kan men er tegenwoordig blijk van geven dat men deze sociaal gewenste eigenschappen bezit door zich in het openbaar voor gemengde scholen uit te spreken. De feiten maken realisering van dit fraaie ideaal onmogelijk. In grote delen van de vier grote steden zijn nog maar zo weinig autochtonen over, dat er te weinig witte kinderen zijn om ooit de zwarte scholen werkelijk gemengd te laten worden. Als men de autochtone ouders desalniettemin probeert te dwingen om hun kinderen naar zwarte scholen te sturen, komt een ‘witte vlucht’ uit de stad op gang, gevolgd door een ‘zwarte vlucht’ van kansrijke allochtonen. Maar ook hier geldt dat als de feiten niet in overeenstemming zijn met de idealen, het jammer is voor de feiten.

De idealistische burger wil trots paraderen met moreel hoogstaande gevoelens. Als we dit in de gaten houden, kunnen we voorspellen welke issues door idealisten worden geadopteerd. In de eerste plaats heeft de idealist behoefte aan stakkerds die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Er ging een golf van verontwaardiging door idealistisch Nederland toen bleek dat direct na de tsunami de Thaise hoteliers vooral wensten dat de overgebleven toeristen doorgingen met vakantievieren en consumeren en allerlei andere ondernemende figuren dvd-tjes met opnamen van de tsunami verkochten. Wat een grof schandaal dat de inboorlingen zelf de kost blijven verdienen – ze horen zielig en hulpeloos te zijn! Doneren aan de Derde Wereld schenkt de gever een goed gevoel, dat we hem natuurlijk niet mogen misgunnen, maar helpt de plaatselijke bevolking vaak weinig. De hulp stimuleert bureaucratie en corruptie. Regeringen steken het geld in hun zak en verkopen voedselhulp op internationale markt. Plaatselijke potentaatjes helpen alleen hun vriendjes en familie. Het gratis verstrekken van goederen en voedsel ruïneert de middenstand en de boeren. Als ondernemingen worden opgezet met een schenking uit het Westen in plaats van een investering die moet renderen, wordt er doorgaans te weinig aandacht geschonken aan toekomstige baten en gaan ze vaak failliet.

Doneren aan de Derde Wereld schenkt de gever een goed gevoel, dat we hem natuurlijk niet mogen misgunnen, maar helpt de plaatselijke bevolking vaak weinig. De hulp stimuleert bureaucratie en corruptie.
Nog mooier dan het redden van zieligerds is het voor idealisten om de wereld te redden. Onze arme planeet verkeert voortdurend in doodsnood. In de jaren zeventig was het spookbeeld dat alle grondstoffen in een mum van tijd op zouden zijn (gebaseerd op het rapport van de Club van Rome), in de jaren tachtig het Waldsterben (zogenaamd veroorzaakt door zure regen) en sinds de jaren negentig is het global warming (zogenaamd veroorzaakt door CO2 uitstoot). Alle paniek is gebaseerd op het gegeven dat tussen het midden van de jaren zeventig en de eeuwwisseling de wereldtemperatuur (gemeten over dag en nacht, alle dagen per jaar, voor het gehele aardoppervlak) 0,35°C. zou zijn gestegen. Toen in de periode van 1942 tot 1977 de gemiddelde temperatuur juist met 0,2ºC daalde, waarschuwden de idealisten voor een nieuwe ijstijd. Er is trouwens geen solide wetenschappelijk bewijs dat de uitstoot van CO2 door menselijke activiteiten de aarde doet opwarmen. Maar dat mag de pret niet drukken. Klimatologen kunnen rijk en beroemd worden door zich aan te sluiten bij de broeikassekte. Energiebedrijven mogen de prijs voor grijze stroom verhogen en krijgen subsidies voor het produceren van groene stroom. Nationale overheden, de Europese Unie en de Verenigde Naties kunnen hun bureaucratie uitbreiden om het opleggen van energieheffingen en de handel in emissierechten deugdelijk te administreren. De burger betaalt het gelag, maar idealisme heeft nu eenmaal zijn prijs.

Toch moeten we vooral niet denken dat idealisten dief zijn van hun eigen portemonnee. Ze geven wel eens een aalmoes weg, maar als het erop aankomt, zorgen idealistische voorlieden goed voor hun materiële eigenbelang en dat van hun achterban. Neem nu de arbeidsmarkt. In de CAO’s wordt onder andere een minimumloon voor de gehele bedrijfstak afgesloten dat meestal flink boven het wettelijke minimumloon ligt en die CAO’s worden van overheidswege algemeen bindend verklaard. Fijn voor degenen die onder die CAO’s vallen, maar jammer voor de rest van Nederland (want het gaat ten koste van de werkgelegenheid) en met name jammer voor uitkeringstrekkers die wel voor minder dan het CAO-loon zouden willen werken (maar dat zou natuurlijk uitbuiting zijn). Buitenlanders zouden graag in Nederland willen werken tegen arbeidsvoorwaarden die beneden het normale Nederlandse peil liggen maar boven dat in eigen land (mag niet: uitbuiting). En als bedrijven willen verkassen naar Oost-Europa of de Derde Wereld om daar de plaatselijke bevolking arbeidsvoorwaarden te bieden die naar Nederlandse normen ongunstig zijn maar ruim uitstijgen boven wat men in die arme landen gewend is, proberen idealisten dat ook tegen te houden (alweer wegens de uitbuiting). Zo houdt het beletten van uitbuiting de armsten arm. De enige slogan waarmee idealisten zichzelf op eerlijke wijze zouden kunnen beschrijven is die van de Tegenpartij van Jacobse en Van Es: ‘Samen voor ons eigen!’

Marcel Roele

Over de auteur

Marcel Roele (1961 - 2011) was wetenschaps -journalist, sociobioloog en politicoloog.

Als free-lancer schreef hij voor een heel scala aan bladen, maar was vaste medewerker van HP/De Tijd. Hij verscheen regelmatig in radio- en tv-programma’s en werd gevraagd als spreker op symposia, congressen en corporate events.

Marcel Roele schreef de volgende boeken: De Mietjesmaatschappij, De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, en De menselijke soort. Hier vindt u zijn homepage marcelroele.meervrijheid.nl.

Stichting MeerVrijheid
webmaster@meervrijheid.nl